Sander Koolwijk©

 

2011: De patroon van het huis, Uitgeverij Holland, Windroosreeks.
2008: All Star Poetry Slam Winnaar, Lowlands.
2005: Onder dak, Uitgeverij Holland, Windroosreeks.
2005: Nederlands Kampioen Poetry Slam.
2002: Bergstraat 55, Bergsportuitgever Sillen Mediaproject.

Recensies:

Recensie Tzum, door Daniël Dee, De patroon van het huis:
Een fotoalbum in taal,
Zes jaar na het debuut Onder dak van Sander Koolwijk verscheen in 2011 eindelijk zijn tweede bundel De patroon van het huis, wederom in de (onlangs stilgelegde) Windroosreeks van Uitgeverij Holland. En als we de uitgeverij mogen geloven is dat een hele eer: ‘Waar De Windroos in het verleden enkele van haar succesvolle vijftigers meerdere bundels liet publiceren in haar reeks, zet Holland met Sander deze traditie voort.’ De bundeltjes uit deze reeks kenmerken zich door hun dikte van slechts 32 pagina’s en een lage prijs. Koolwijk is daarmee een niet al te productieve dichter. (Schrijf eens door jongen! Het is gewoon werk.)

De patroon van het huis is het beste te omschrijven als een ouderwets fotoalbum in taal. Waar we in het analoge tijdperk praktisch alleen foto’s namen van heuglijke momenten, zo schrijft Koolwijk in deze tweede bundel ook alleen over memorabele gebeurtenissen. Er gaat een gedicht over het nieuwe jaar (‘Nieuwjaar’), er staan gedichten in over uitstapjes (‘Dierentuin’, ‘In een park’) en er gaan gedichten over vakanties en reizen (‘Wadden’, ‘Kosovo’). Koolwijk heeft met zijn gedichten een manier gevonden om die gebeurtenissen vast te leggen en te bewaren voor het nageslacht. De bundel opent dan ook met de veelzeggende strofe:

Met de traagheid waarmee

de beelden van een videoband slijten

wordt de toekomst zichtbaar.

Impliciet zegt hij zelfs dat het schrijven van zijn gedichten de meest solide vorm van vastlegging is, al was het alleen maar omdat zijn gedichten niet aan slijtage onderhevig zijn, maar dat terzijde. Al is er natuurlijk ook hier altijd het gevaar dat er zaken vergeten raken:

en de angst groter dan gaten in de gedachten.

Sander Koolwijk is op z’n best als hij het dicht bij huis houdt, in figuurlijke zin. Een enkele keer zijn zijn herinneringen een tikkeltje te particulier:

Vrouwenstemmen echoën.

Mes en vork duwen ballonnen tegen mijn oor.

Sierduiven slapen onder een vallend rolluik.

Morrend verdwijnt het varken in zijn hok.

De dichter is inmiddels een man van midden dertig die zijn vader heeft verloren en zelf ook vader is geworden. De bundel krijgt daardoor iets weemoedigs, zoals wel vaker het geval is met herinneringen – of ze nu op fotopapier zijn afgedrukt of op papier – want die tijd is voorgoed voorbij en sommige mensen zijn voorgoed verdwenen. Gelukkig wordt Koolwijk nergens sentimenteel:

Wat had ik graag daar met mijn kind

in een opblaasboot willen drijven

en jij dan bezorgd aan de waterkant.

Die gedichten rechtvaardigen de hele bundel. Alleen al voor dichters als Koolwijk hoop ik dat de Windroosreeks, op wat voor manier dan ook, een doorstart krijgt. En anders zou er een uitgever moeten opstaan om Koolwijk binnen te slepen. Dat hoeft die uitgever niet eens veel geld te kosten, want deze dichter moet het niet van kwantiteit hebben, maar juist van kwaliteit.

 

Recensie door Tsead Bruinja, als cover van de bundel, De patroon van het huis:
Sander Koolwijk is een dichter die kan kijken: ‘In de tuin, onder de bevroren appelboom / op het geroeste handvat van de hegschaar / de veren vergrijsd, de kop in de nek / zit de trekvogel, die, als ik op het raam klop / het hoofd schudt.’ Zijn vorige bundel Onder dak werd door Simon Vinkenoog aangeprezen als ‘een hermetisch huis’ met ‘vreemde bewoners.’ Van dat huis staan nu de ramen en de deuren wagenwijd open. We zien een zoon die op ontroerende wijze aan zijn overleden vader denkt nu hij zelf vader geworden is en we lezen de geschiedenis van een liefde uit Kosovo, waarbij de dichter trots de ‘geweigerde dollars in de keukenla’ verstopt . Met De Patroon van het huis heeft Sander Koolwijk een grote stap voorwaarts gemaakt, met open armen de wereld in.

 

Recensie NBD|Biblion, door Drs. Erik Kreytz, De patroon van het huis:
De dichter (1975) die met zijn vorige bundel in 2005 een prijs won voor podiumpoëzie, ervaart het leven als iets aparts buiten hemzelf om. Hij staat in een tuin of park, ziet over het hek naar buiten of kijkt naar binnen. Met de woorden wil hij zichzelf leren kennen, door in contact te komen met heden, verleden en toekomst. Hij (be)proeft de taal en laadt die op met emoties. Hij regisseert wat hem om- of insluit. Zijn indrukken, als patroon van het huis, leiden letterlijk tot vindingrijke gedichten die zich vooral bij herhaald lezen gewonnen geven. Deze kleine bundel in twee delen, ‘buiten’ met zestien en ‘binnen’ met vijf verzen, staat apart,door klank en woordkeus en is zo’n bestuderende leeswijze meer; dan waard. Oorspronkelijke poëzie, voor scherpe lezers.

Recensie door Pom Wolff, Pomgedichten, De patroon van het huis.
Het kijken in de genen aan het papier toevertrouwd,
dat we het van DE FLAPTEKST niet moeten hebben (2x) we al geschreven. dan maar zelf aan de recensie. en eerst maar de persoonlijke noot. uw recensent kent sander koolwijk – en vindt sander koolwijk om het in zijn eigen woorden te zeggen ‘een sympathieke gast’. die waardering is wederzijds, alleen zijn mening over ‘die verrotte site van je’ scheidt ons. verder is hij wat jonger, twee kinderen heb ik ook, hij heeft zijn ouders nog. hij woont in Amsterdam waar hij niet is geboren. geleen 1975 vierde sander koolwijk. dat altijd weer zo mooie geleen.

je zou zeggen dit is geen goede basis om een recensie te schrijven, je hakt een vriend niet in de pan. maar koolwijk is natuurlijk niet alleen maar die sympathieke gast. dat ik die verrotte site heb (2x) ik natuurlijk wel uit ZIJN mond mogen vernemen. al is het zeer uitzonderlijk dat hij zich zo uitlaat. en sander is een meester van het understatement – dat heeft hij wel een beetje van zijn grote leermeester Alpenliefhebber henk van zuiden. ze zoeken graag in de stilte. naar het meest dodelijke woord. maar altijd vriendelijk. koolwijk is de ideale schoonzoon met arsenicum in zijn woorden. als sander je een goede morgen toewenst dan moet je je echt afvragen of het wel een goede morgen wordt. dat rechtvaardigt al iets meer de recensie. in ieder geval een leeservaring moet mogen.
daar komt nog bij dat we allebei niet wat onwaarachtig is uit onze mond of onze pen zouden krijgen als we een mening geven over elkaars gedichten. zo! de recensie. ‘De patroon van het huis’ heet de bundel. Uitgeverij Holland. 6 euro. een uur parkeren in Amsterdam kost meer. in geleen kun je nog een dag parkeren voor dat geld.
21 gedichten. een hoofdstuk ‘Binnen’ met 16 gedichten en een hoofdstuk ‘Buiten’ met 5 gedichten. koolwijk schrijft verzorgd, wikt en weegt, geen onvertogen woord. Zo ken ik hem ook. recensies zijn persoonlijke dingen – het mag wel wat gewaagder hoor was een gedachte die aanvankelijk in me opkwam bij het lezen. Niets rot in deze bundel weg.
op het eerste gezicht. vandaar toch ook de wat lang uitgevallen inleiding. het eerste gezicht is sander koolwijk niet.
in de Holland bundels moet je in 20 gedichten iets neerzetten. als het goed is. een grondtoon die overblijft nadat je de woorden in de bundel achter je laat. het geluid van de dichter zo kan het ook genoemd. slaagt ie erin of niet. of blijft het bij een verzameling mooi, veilig en politiek correct. dat is voor mij het criterium. alle praatjes voorbij. geleen of geen geleen. aardige jongen of geen aardige jongen. het is toch een verrotte site dus daar kan alles op gegooid. en misschien zou het wel een aanbeveling zijn als ik de bundel tot de grond toe afbrand. ik moet u in dat laatste opzicht teleurstellen.

Thematisch laat de bundel zich samenvatten in een paar woorden: hij wijst de weg, zijn vinger danst in de lucht en aan het eind zwermen ze weg, een taak volbracht – ik parafraseer, hij kan gaan – de laatste woorden in de bundel:

uit “In de tuin”:

Herinneringen kleuren je. Zorgvuldig ben je

in hoofden van de mensen geplaatst.

Ze zwermen uit. Jij kunt nu gaan.

in de tussentijd lezen we van een leven, van zijn aftakeling, van zijn eenzaamheid door de ogen van een zoon in het gedicht ‘Gesloten gordijnen’:

[..)kijk gesloten gordijnen

ik weet dat ze trekken

de ramen (..)

over de man die niet bekeken wil worden en alles ziet zoals zijn zoon ook alles ziet en hem achter die gordijnen weet.

kijk, de ogen sluiten

Ik weet dat je kijkt

van diep verlangen van een zoon – op vakantie in Frankrijk op de camping:

wat had ik graag daar met mijn kind

in een opblaasboot willen drijven

en jij dan bezorgd aan de waterkant.

en zo leven wij een leven mee in twintig gedichten. uiteindelijk gaat alles over. uiteindelijk gaat alles over de zoon die zich inmiddels vader weet en plaats neemt in de rangorde van het leven. en die het kijken van vader in de genen aan het papier toevertrouwt. beter gezegd het kijken in de genen is aan het papier toevertrouwd.

‘Er zat een heel leven in je, maar niemand

zag het (..)

hoe het in een landschap steeds stiller wordt in een leven – dat is de grondtoon die overblijft, de dichter onderweg, een ‘meervoud van zand’ het hoogst haalbare. sander koolwijk schreef een bundel in twintig gedichten. van vader het kijken geleerd in veilige handen. een bundel die je na het lezen met veel meer tederheid weglegt dan je deze aanvankelijk opnam. sander koolwijk schreef een bundel die je brengt naar het landschap van de stilte waar we uiteindelijk allemaal uitkomen. een bundel die je meteen weer oppakt om opnieuw van die stilte te lezen. het kijken in de genen aan het papier toevertrouwd.

 

Recensie door Simon Vinkenoog, als cover van de bundel, Onder dak:
‘Een hermetisch huis, waar vreemde bewoners in- en uitgaan, zich soms als marionetten bewegend: raadselachtig.’

 

Recensie Climbing.nl, door Anne Slootweg,Bergstraat 55:
Als twee bergen de klimmersdrang in stilte verklaren/ en er één van hen plotseling tot spreken overgaat/ (…) Joe Simpson opeens verliefd naar Ronald Naar zou staren/ die daarvoor was gekomen met een Everest-schoonmaakdaad/ Dan (…)/ zijn statig geklede alpinisten met henneptouwen uitgevaren/ om ons twee te verwelkomen, in de Amsterdamse Bergstraat.’ Alleen als het meest onmogelijke werkelijkheid wordt, schijnt deze dichter te zeggen, alleen dan kunnen het klimmen in de Alpen en het dagelijks leven in Nederland één worden. Dan kan ook een kiezel op een kantoorvloer een berg zijn en een rotsblok een rijger. En alleen dan kan een stopcontact opduiken aan de voet van een bergwand, die opeens jouw huiskamermuur blijkt te zijn. Toch is dit precies wat hij in zijn bundel wil laten gebeuren. Het lijkt pretentieus, maar Sander Koolwijk weet er wel degelijk in te slagen.