Uit roman: Zeven dagen min één ochtend. Zie hier voor Synopsis.
Dag 1: begin scene: Proloog.
Een monotoon zuchten vult de steriele kamer. Kick laat zijn armen langs zijn lichaam naar beneden vallen, strekt zijn vingers, maakt twee vuisten en strekt dan zijn vingers weer. Hij ademt tegelijkertijd met het zuurstofapparaat diep uit en wrijft met twee handen door zijn haar. Dan, via de witte muren, het witte plafond en de opzij geschoven vitrage, vlucht zijn blik de kamer uit.
Een meeuw zweeft op de wind voor het ziekenhuisraam en lijkt bevroren in de tijd stil te hangen. Diezelfde vogel voor hetzelfde raam. Hij loopt ernaar toe. Hoe zou het zijn om hoog in de lucht naast hem te zweven, om in totale ontspanning alles te kunnen overzien? In de verte staan onbemande hijskranen over de Zuidas gebogen. Vanuit de schemer komt een ambulance aangereden. Zonder moeite vindt het steeds groter wordende speelgoedautootje zijn weg tussen het verkeer door. Twaalf verdiepingen lager draait het, met zwaailichten aan, de oprit op.
Hij kijkt achterom. Humphrey ligt nog steeds zoals zijn moeder anderhalf jaar geleden ook gelegen had; gewond en omgeven door een wirwar van slangen en eenzelfde monotoon zuchtend geluid.
Isa, die aldoor stil aan de rand van het bed heeft gezeten, staat op en loopt naar hem toe. Haar voetstappen vallen samen met het in- en uitademen van het apparaat.
‘Het komt wel goed’, fluistert ze als ze een arm om hem heen slaat. Ze drukt hem dicht tegen zich aan. Tientallen seconden blijven ze stil tegen elkaar aan staan, bevroren, zoals de meeuw bewegingloos hangend in de lucht.
‘Kom’, zegt ze tenslotte: ‘We mogen niet te lang blijven’. Nog één keer kijkt ze naar het levenloze lichaam van Humphrey en knijpt zachtjes in zijn bovenbeen. ‘Fucking volhouden Humph’. Kick steekt zijn hand kort de lucht in. Hij sluit hoofdschuddend zijn ogen en draait zich om.
‘Gaat het?’, vraagt ze terwijl ze het vierkante liftknopje indrukt. Hij haalt zijn schouders op. ‘Och het gaat, en met jou?’ Ze schudt het hoofd. ‘Midden in de Spuistraat iemand halfdood trappen …, ik vind het echt niet normaal.’
‘Pinggg’. Zodra de metalen liftdeuren ver genoeg opengeschoven zijn, wordt een bed op ronddraaiende aluminium wieltjes naar buiten geduwd. Kick wordt door Isa naar achteren getrokken. De vrouw in het bed kijkt hem in het voorbijgaan met wijd opengesperde ogen aan. Het kussen waarop ze ligt is roodgekleurd. In een flits ziet hij zijn moeder liggen. Iemand schreeuwt dat ze bloed nodig hebben. Het beeld wordt gewist als hij aan zijn arm de lift ingetrokken wordt.
‘Ik weet het niet Ies’, zegt hij als ze even later op de fiets zitten. ‘Ik weet niet of je mij had moeten vragen mee naar Humph te gaan.’
‘Juist wel man! Je kunt het niet blijven negeren. Je moeder is dood Kick. Ze is er niet meer, Lilly - is – er - niet - meer. Ga de fucking confrontatie aan, een keer zal het moeten Kick!’ Hij stopt met trappen en kijkt naar zijn beste vriendin die met haar zwarte capuchon op, langzaam van hem wegfietst. Ze heeft gelijk, hij moet het verlies onder ogen zien, maar hij wil het niet. Niet nu en misschien wel nooit. En toch blijft ze er maar steeds opnieuw op terugkomen.
Net onder de snelweg door, op het randje van Amsterdam Zuid, komt hij tot stilstand. Isa ziet hij niet meer. Kijkend naar de villa’s naast hem duwt hij zijn trappers weer langzaam naar beneden. De ketting ratelt vertrouwd als hij door de buurt fietst waar hij in Amsterdam zijn eerste jaren heeft doorgebracht. Na het overlijden van zijn moeder moesten ze verhuizen, naar een kleine verdieping in Amsterdam Oost. Gelukkig is pa met vakantie, schiet het door hem heen als hij aan de krappe woning denkt die hij tot zijn ergernis nog steeds deelt met zijn vader.
‘Weet je eigenlijk nog iets van die nacht die we in dat ziekenhuis hebben doorgebracht?’ Isa heeft op hem gewacht en fiets nu weer naast hem. Hij reageert niet.
‘Het wordt alleen maar moeilijker’, vervolgt ze. ‘Praat erover, met mij of met een psycholoog of met je huisarts, het maakt me niet uit Kick, maar zoals het nu gaat, gaat het niet.’
‘Daar gaan we weer’, mompelt hij. De laatste maanden begint ze er steeds vaker over. Hij moet het verlies van zijn moeder onder ogen zien. Maar hoe vaker hij aan Lilly denkt, hoe harder hij de gedachten aan haar probeert weg te drukken naar waar ze wat hem betreft thuishoren: zo ver mogelijk weg.
Een kwartier lang fietsen ze zwijgend naast elkaar. Bij het passeren van het makelaarskantoor waar hij morgenvroeg weer aan de slag moet denkt hij: Lang leven de crisis, iedereen blijft op zijn geld zitten en die snelle jongens hebben het vooral druk met het ophangen van “Te koop” borden.
Vijf minuten later rollen ze de Amstel op. Isa opent de deur van haar kraakpand, maar hij blijft staan en schudt zijn hoofd.
‘Kom nou binnen man, wees niet zo hard voor jezelf.’ Maar hij schudt nog steeds het hoofd en steekt dan zijn hand in de lucht en fietst weg.